Uitgelicht

Stedelijke huiskamers gezocht

Het is makkelijker dan ooit om je te verschansen in je eigen sociale bubbel. Je boodschappen laat je bezorgen, een praatje maak je niet in het café maar via WhatsApp. Waar kom je nog in contact met andere meningen en achtergronden? Hebben we eigenlijk nog wel behoefte aan collectieve stedelijke ruimtes waar we ‘de ander’ ontmoeten? ‘Zeker wel!’ volgens recent onderzoek onder Rotterdammers. Sommige plekken in de stad spelen daarop in en voorzien meer dan voorheen in de behoefte aan contact tussen stadsgenoten. Plekken waar de prettige diversiteit en gemeenschapszin voelbaar zijn en waar ‘de eigen bubbel’ even niet bestaat. De bibliotheek, de sportschool en zelfs de supermarkt.

Stadslucht maakt vrij. Steden zijn plekken waar mensen langs elkaar heen leven, hun eigen dingen doen in hun eigen netwerken en groepen. Steden combineren een grote variatie aan voorkeuren, culturen en stijlen, soms vlak naast elkaar. Langs elkaar heen kunnen leven, zonder al te veel last van elkaar te hebben; anoniem kunnen zijn en soortgenoten ‘uit je eigen cultuur’ kunnen treffen is essentieel voor een stedelijke samenleving. Dat was altijd al zo, maar is, met de komst van de smartphone, de sociale media en het aan huis bestellen, nu wel heel erg gemakkelijk geworden. Zelfs in het openbaar vervoer kijkt men nauwelijks meer op van de smartphone om toch maar optimaal in contact te staan met ‘dezelfde ander’: de eigen vrienden en de eigen netwerken. Het bruine café en het buurthuis zijn vrijwel uitgestorven en de koffiezaken zijn gevuld met lange tafels met geconcentreerde en ingeplugde werkers die niet op of omkijken.

Toch blijkt er nog steeds (en misschien wel meer dan ooit) behoefte aan de ontmoeting van de ‘andere ander’. In 2017 gaf de gemeente Rotterdam opdracht voor een groot aantal gesprekken met zo’n 5000 inwoners onder de kop ‘Gesprek met de Stad’. Daarbij ging het om vragen als: ‘Hoe zien de Rotterdammers de toekomst van de stad voor zich?’ en ‘Wat leeft er onder de Rotterdammers als het gaat om hun stad?’

Het onderzoek kwam met verrassend eenduidige antwoorden. Het liefst zien veel Rotterdammers stedelijke ruimtes waar rust en levendigheid elkaar afwisselen. De Rotterdammers zien ook de verschillen toenemen, tussen etnische groepen, maar ook tussen arm en rijk. Toch is het algemene beeld dat diversiteit eigen is aan de stad en dit is zelfs een reden om in Rotterdam te wonen. En de mogelijkheden om daar deelgenoot van te kunnen zijn worden gemist. In het rapport lezen we: “Ondanks of wellicht dankzij de trends van individualisering en digitalisering is er een grote behoefte aan de menselijke maat en weer echt contact. Er is een grote vraag naar meer ontmoetingsplekken en verbindende activiteiten in de stad en in de buurt.”

Rotterdammers verlangen dus meer dan ooit naar vriendelijkheid en contact met mensen van buiten hun eigen bubbel, met mensen die anders zijn dan zijzelf. Het voelt blijkbaar goed als onze andere medestedelingen minder vreemd zijn, als we iets gemeenschappelijks delen, of als we contact maken, hoe oppervlakkig ook. Het is misschien ook wel geruststellend met al die mensen op een kluitje: het gevoel dat je samen met wildvreemden de stad vormt en zelfs dat je samen een beetje voor die stad (en dus voor elkaar) zorgt.

Maar, als die behoefte zo groot is, zijn er dan nog wel genoeg fysieke ruimtes in de steden of buurten waar die stedelijke gemeenschapszin nog voelbaar is? Ongedwongen plekken waar je nog mensen tegenkomt die heel anders zijn dan jij, en waarbij je dat juist als prettig ervaart? Of er genoeg van die ruimtes zijn weet ik niet, maar er zijn gelukkig wel ruimtes in de stad waar je die diversiteit juist meer dan vroeger ervaart.

Enkele maanden geleden opende de LocHal in Tilburg zijn deuren. Het gebouw is overweldigend vanwege de enorme ruimte, in combinatie met zijn ruwe industriële karakter. En dan nog al dat glas! Voor wie het nog niet gezien heeft, stap uit de trein en ga kijken naar dat grote glazen gebouw dat er al bijna een eeuw aan het station staat maar waar je nooit naar binnen mocht. Niet alleen het interieur is overweldigend maar ook hoe het gebouw erin slaagt iedereen uit te nodigen naar binnen te gaan. Je bent welkom, dat voel je, ook zonder doel, gewoon om een beetje rond te kijken, wat te lezen of koffie te drinken. De LocHal is veel meer dan een bibliotheek. Het is een royale huiskamer van de stad waar je alles en iedereen in grote variatie tegenkomt. Hier wordt de stad en diversiteit gevierd. Er worden activiteiten georganiseerd voor alle leeftijden en opleidingsniveaus. De stad Tilburg heeft met dit gebouw uitgepakt en geïnvesteerd in een betekenisvolle ruimte voor iedereen. Met succes. Op 17 mei kreeg de LocHal de prijs als beste gebouw van Nederland voor leefbaarheid en sociale cohesie. Ook was hij de publiekswinnaar. Er zijn overigens meer bibliotheken die die functioneren als uitnodigende stedelijke huiskamer. Almere en Amsterdam bijvoorbeeld.

Een andere plek waar ik de stedelijke diversiteit in optima forma ervaar, is de lowbudget-sportschool. Hier kom ik mensen tegen die ik normaal bijna nooit ontmoet: alle kleuren en culturen zijn vertegenwoordigd. Van twintigers met overgewicht tot goedgetrainde tachtigers. Doordat je daar met elkaar aan het werk bent ontstaat gemeenschapszin. Of ik even wil helpen met het gewicht vasthouden en aangeven. Ik krijg zomaar aanwijzingen van mijn buurman: ‘hé je moet je voeten anders neerzetten’ bij het gebruik van een fitnessapparaat. Ging ik vroeger sporten in mijn eigen bubbel (de rooms-katholieke sportvereniging); nu doe ik dat bij de superdiverse Fit4Free.

Een derde voorbeeld van een ruimte die langzaam maar zeker meer is geworden dan zijn primaire functie is Albert Heijn. We kennen allemaal het apparaat met gratis koffie en de twee stoeltjes waar je in contact komt met een bejaarde buurvrouw en waar de straatkrantverkoper bij de uitgang staat. In Den Haag hebben alle 42 vestigingen sinds 2018 een medewerker die eenzaamheid kan signaleren bij mensen. De supermarkt wil daarmee ook ‘een goede buur’ zijn en klanten kunnen helpen als dat nodig is, aldus de berichtgeving in het AD. Als medewerkers signalen krijgen dat ouderen eenzaam, vergeetachtig zijn of zichzelf verwaarlozen, vragen ze aan hen of ze willen praten met een in de winkel aanwezige vrijwilliger van een zorgorganisatie.

Zo vinden diversiteit en stedelijke gemeenschapszin ook weer nieuwe fysieke ruimtes in de stad. Ze voorzien in een behoefte, ze maken de stad vriendelijker en laten zien dat het leuk, inspirerend of misschien ook wel een beetje geruststellend is om die ‘andere ander’ van dichtbij tegen te komen. Lof voor bedrijven en overheden die dit accommoderen.

De wereld verandert sneller dan ooit …

maar ‘wandelen voor het plezier’ staat al jaren op één.

‘De wereld verandert sneller dan ooit’. Dat horen we vaak, ook als het gaat om vrijetijd en toerisme, bijvoorbeeld op de jaarlijkse trendcongressen. Dat er volop beweging zit in de wereld van recreatie en toerisme valt niet te ontkennen, mede doordat dat aanbieders continu voortbouwen op de ideeën van anderen. Maar laten we ons niet blind staren op die veranderingen. ‘Wandelen voor het plezier’ staat al decennia op de eerste plaats van vrijetijdsbesteding buitenshuis. Misschien een tikkeltje saai, maar enorm belangrijk. En bovendien voorspelbaar. Hoogste tijd om daar meer ruimte voor te plannen en geld voor uit te trekken.

Aan het begin van het jaar kijken we graag vooruit, maar kunnen we dat nog wel, nu nieuwe trends elkaar in snel tempo opvolgen, nog los van onverwachte ingrijpende gebeurtenissen, zoals de pandemie die vorig jaar alles anders maakte? Ook in de wereld van recreatie en toerisme zien we die snelle veranderingen. Steeds weer kopiëren aanbieders nieuwe concepten, waardoor bepaalde vrijetijdsvormen zich razendsnel kunnen verspreiden en ontwikkelen. Om een voorbeeld te noemen: in 2013 opende de eerste escape room in Nederland zijn deuren; de teller staat in ons land nu, begin 2021, op ruim 800. Ook de verblijfsrecreatie is dynamisch. Werden in de jaren ’80 nog huisjesparken met bungalowtypes A en B gebouwd; nu varieert het aanbod van boomhutten in een natuurgebied tot comfortabele Beach Villa’s met uitzicht over het strand. Ook de technologie biedt steeds weer nieuwe mogelijkheden en de VR (virtual reality) en de AR  (augmented reality) games staan op het punt van doorbreken. Over 10, 20 of 30 jaar zullen er, ook in de wereld van recreatie en toerisme activiteiten zijn die we nu nog niet vermoeden. En dingen die we nu massaal doen zijn we dan misschien al weer bijna vergeten. De wereld van recreatie is niet alleen sterk veranderlijk, zij is ook steeds complexer geworden: Veel bedrijven, maar ook gemeenten werken tegenwoordig met zeven leisure-leefstijlen met een grote diversiteit aan behoeften waarop moet worden ingespeeld.

Het is allemaal waar van die veranderingen, maar pas op! Na de oorlog was de meest populaire vrijetijdsbesteding buitenshuis ‘wandelen voor het plezier’. Er waren nog geen pret- en recreatieparken, nog geen klimbossen en nog bijna geen horecaterrassen. Maar wist u dat de meest populaire vrijetijdsbesteding buitenshuis nog stééds bestaat uit ‘wandelen voor het plezier?’ En wist u dat ‘wandelen voor het plezier’ qua populariteit, ondanks al die concurrentie, nog verder is toegenomen? Tussen en 2016 en 2019 is het aantal Nederlanders dat wandelt voor het plezier gestegen van 10,5 naar 11 miljoen; dat was dus nog voordat we in een lock down terecht kwamen. Waar wandelt men? Op landschappelijk mooie routes, vaak dicht bij huis.

De overtuiging dat de wereld sneller verandert dan ooit  en dat over vijf jaar misschien alles weer anders is, leidt ertoe dat er voor de sector recreatie en toerisme niet goed vooruit gepland wordt. Terwijl de behoefte aan bedrijventerreinen en woonwijken, windmolens en zonnepanelen tot op de vierkante meter wordt geprognosticeerd, gereserveerd en ingevuld is dit voor recreatie behoorlijk op de achtergrond geraakt. Dit soort prognoses worden in de recreatiesector niet meer gemaakt, laat staan naar behoefte gerealiseerd.

Ondertussen wordt de krapte op de fiets- en wandelpaden voelbaar. Versterkt door de coronacrisis werden diverse natuurgebieden het afgelopen jaar regelmatig onder de voet gelopen. In allerijl werden online druktemonitoren gelanceerd, met als resultaat dat het ook (te) druk werd op rustige plekken waar de kwetsbare natuur nog kon floreren. De tekorten aan recreatieruimte rondom de steden zijn nu al groot, terwijl het aantal stedelingen de komende jaren nog flink gaat groeien.

Onze voorgangers wisten wel raad met recreatieplanning. In de jaren ‘60 en ‘70 werden nog forse arealen agrarische grond opgekocht voor recreatiegebieden bij de stadsuitbreidingen; daar is nu slechts mondjesmaat sprake van.  En ook in de jaren ’30 werd met visie en volharding gezorgd voor de stedelijke recreant. Zo werden het Amsterdamse en Kralingse Bos aangelegd. De wereld verandert snel, maar de groeiende behoefte aan mooi recreatielandschap waar je kunt fietsen en wandelen staat als een paal boven water. De behoefte aan zwemmogelijkheden en verkoeling komt daar met stip bij, als gevolg van het groeiend aantal warme en zeer warme dagen.

In het NRC van 9 december 2020 gooit Japke-d. Bouma met kracht het idee overboord dat de wereld sneller dan ooit verandert. Zij gelooft er niets van en vergelijkt onze tijd met 30.000 jaar geleden of het begin van de 20e eeuw, toen veranderingen misschien veel sneller gingen dan nu. Zij schrijft: “Uiteindelijk gaat het maar om 5 dingen: Omzien naar elkaar, goede koffie, gezondheid, liefde en onze dierbaren voor altijd om ons heen”.  Daar kan ik het, zeker aan het begin van 2021, alleen maar mee eens zijn. En ik wens ze u meteen ook alle vijf toe voor 2021.

Kijkend naar recreatie zou je ook zo’n lijstje van 5 dingen kunnen maken: voldoende ruimte voor iedereen om lekker in te wandelen (1), te fietsen (2) en zwemmen (3). Op mooie plekken in het landschappelijke groen (4), niet te ver van huis (5). Misschien een beetje saai maar qua recreatie wel het belangrijkste dat er is. Aan de slag in 2021, net als onze voorgangers in de jaren 30, 60 en 70.

De achtertuin als onze wereld

Amper een maand geleden was voor velen van ons de wereld nog onze achtertuin. We hadden mogelijk al een leuke stedentrip voor het voorjaar geboekt en worstelden nog met de keuze over de zomervakantie. En nu? Sinds de ‘intelligente lockdown’ is onze achtertuin onze wereld. Transavia heeft de stedentrip gecanceld en tijdens het loopje naar de supermarkt dringt het besef door dat die zomervakantie er misschien ook wel een stuk soberder uitziet dan voorgesteld. We kunnen alleen nog maar dromen van keuzestress. Leuk is anders – overigens in de eerste plaats voor al die duizenden die hun brood in de reisindustrie verdienen en nu zonder werk en inkomen zitten. Maar ook voor ons consumenten is het slikken met die kleine wereld. Vakantie staat voor vrijheid, ontspannen, niets hoeven, in een andere wereld stappen, nieuwe perspectieven, vrolijkheid, tijd voor elkaar. De omstandigheden dwingen ons om die zaken anders vorm te geven. Misschien opent dat ook weer nieuwe perspectieven en heeft de achtertuin meer te bieden dan we dachten.

Niet omdat het moet, maar omdat het kanwas de slogan waarmee Tele2 vanaf 2015 zijn nieuwe 4G-netwerk aanprees. De slogan was onderdeel van een succesvolle campagne, waarmee dit bedrijf zijn marktaandeel flink opschroefde. Toen ik de slogan voor het eerst levensgroot zal afgebeeld op een digitaal scherm bij het station, werd ik geraakt door de tekst. Negatief. Ik voelde weerzin: ‘Dat is nu precies de moraal waaraan de wereld kapot gaat’ dacht ik, waarbij ik niet direct dacht aan het gebruik van de smartphone, maar aan ons vakantiegedrag; tja, het is mijn vak. We vliegen voor 19 euro een weekeindje naar Barcelona. We trouwen op Bali en nodigen familie en vrienden uit om met ons mee te vliegen. Ik zag in het reclamefilmpje een verwende generatie die uit verveling niet weet wat ze met hun geld en tijd moet doen.

Niet omdat het kan, ook omdat het moet. Ons vrijetijdsgedrag heeft geleidelijk het karakter gekregen van een heilig moeten. Denk aan mensen die ‘hun batterij móeten opladen’, in een yogacentrum aan de andere kant van de wereld. Mensen die ‘het echt nodig’ hebben om vier of zes keer per jaar op vakantie te gaan. Collega’s die voor de zomervakantie tegen elkaar moeten opbieden met exotische bestemmingen en bijzondere belevenissen. Immers, de vraag ‘En, heb jij al vakantieplannen’? valt onherroepelijk, vaak al in het vroege voorjaar. Vakantie is heilig en voor je collega’s vaak een beter excuus om je email niet te hoeven lezen dan als je ziek thuis zit.

Maar toch, als er een ding duidelijk is (zeker nu): ons massale en verre reisgedrag vindt niet plaats omdat het moet, maar omdat het kan. Omdat we het geld hebben om vakantie te vieren, en omdat het verre reizen zo goedkoop is geworden – ten koste van de arbeidsomstandigheden in de service-industrie en ten koste van allen die nu en later lijden onder de klimaateffecten. We doen het omdat het kan en omdat er een hele economie is ontstaan die ons stimuleert om steeds weer weg te gaan. Ja, we vinden het ook wel erg goedkoop die vliegtickets en die pakketreizen, maar ja, als het zo gemakkelijk kan, en iedereen doet het, is het wel moeilijk om daaraan niet mee te doen.   

Toen ik het Tele2 filmpje op het grote scherm in de stad een tijdje later nog een keer zag, had ik andere gedachten.  Ik was opnieuw geraakt door de tekst en het filmpje. Positief deze keer. Vanwege de vrijheid die het filmpje ademt. Vrijheid,  niet alleen om je belbundel samen te stellen, maar gewoon vrijheid om alles te doen wat in je opkomt, om niet beperkt te zijn, om geen reden te hebben, om uit de band te springen, om zomaar te dansen. Niet omdat het moet, maar omdat het kan. Ik begreep waarom de campagne zoveel prijzen had gewonnen in de vakwereld van reclame en media.

Niets hoeven, even buiten de dagelijkse realiteit en buiten de dagelijkse orde, in een andere wereld stappen, is ook een belangrijk product van de vrijetijdsindustrie. Enerzijds met buitenlandse vakantiebestemmingen (foto’s van stille stranden, erfgoed en festivals). Of in eigen land: een weekeindje weg in een huisje op een vakantiepark: ‘Er echt even tussenuit’;  de droomwereld van een sprookjespark, terugschakelen in een wellness resort, evenementen en festivals, uitgaansleven, musea, muziek en theater. We kopen die producten, verheugen ons, soms blijkt het al snel een totale illusie, soms is het fantastische belevenis, vaak iets er tussenin.  Maar het gevoel van vrijheid, ontsnappen, iets geks of je laten verrassen door nieuwe invalshoeken en prikkels hóórt bij de vrijetijdssector en de vakantie en is misschien wel een diepe levensbehoefte.

Het kan nu even niet, omdat het moet. Het intensieve vliegverkeer zorgde in no time voor een mondiale verspreiding van een virus. En nu lukt juist dat vliegen niet meer en kunnen we zelfs bijna niet meer op vakantie. Het toerisme is een van de zwaarst getroffen sectoren wereldwijd door de coronacrisis. Op 26 maart voorspelde de Wereldtoerismeorganisatie UNWTO een daling van het toerisme met 20 tot 30 procent, goed voor een omzetdaling van 270 tot 410 miljard euro wereldwijd. Honderdduizenden banen gaan mogelijk verloren, een economische catastrofe. Reisorganisaties en luchtvaartmaatschappijen zullen miljardensteun ontvangen en anderen zullen failliet gaan. Tegelijkertijd klaren de luchten letterlijk op: de vervuiling neemt drastisch af doordat er niet meer gevlogen en gereisd wordt.  Voor ons, als consument en burger kan het even niet meer, omdat het moet. En de sneeuwtoppen van de Himalaya zijn voor het eerst in dertig jaar weer zichtbaar op 200 kilometer afstand vanuit India.

Het kan verkeren. Riepen sommige collega’s in januari nog dat zij dat weekje naar Thailand absoluut niet konden missen vanwege een ‘lege batterij’; nu zijn we al blij als we in een land of stad wonen waar we even naar buiten mogen voor een frisse neus. Ons thuisarrest brengt ons mogelijk in contact met onze behoefte aan vrijheid, om gewoon ergens heen te kunnen omdat het kan. Om eruit te gaan, om te sporten en te dansen, om te genieten van cultuur en evenementen, om vreemden op straat te ontmoeten. We realiseren ons misschien hoe belangrijk dat is, juist ook omdat het niet meer kan. Of we ontdekken nieuwe mogelijkheden om er ‘echt even tussenuit’ te gaan. Misschien met een (dag)boek, een spel of een film. Misschien mogen we binnenkort wel weer in eigen land op vakantie en ontdekken we Nederland met nieuwe ogen.

Als de reisindustrie weer op gang komt en de mogelijkheden zich openen zullen we zien hoe het wereldtoerisme zich ontwikkelt. Het zal waarschijnlijk best een tijd duren (jaren) voordat de toerismebestedingen weer op het niveau van vorig jaar zitten, net als na de crisis van 2008. Misschien ook treedt er een effect op waarbij mensen fanatiek hun ‘bucket list’ afwerken en nu toch echt snel de Borobudur, de Eiffeltoren of de gletsjers op Vuurland zelf op de foto willen zetten. Immers er kan zo weer een virus uitbreken.  Mogelijk zijn er ook mensen voor wie het verre reizen juist minder tot een heilig moeten is geworden. Ze hebben dichter bij huis misschien andere vormen van vrijheid, andere vormen van ontsnapping of (ont)prikkeling gevonden. Niet omdat het moet, maar omdat het kan.

Goed bezig met toerisme?

Toerismebeleid betekende tot voor kort Economie. Geld in het laadje. Stimuleren. Meer bezoekers, langere verblijfsduur en meer bestedingen was jarenlang het adagium. Promotie bedrijven en zoveel mogelijk bezoekers binnenhalen. Maar die tijd is voorbij. Als gemeentebestuur moet je tegenwoordig een genuanceerd verhaal hebben met woorden als ‘balans’, ‘draagvlak’ en ‘duurzaam’. En terecht. Toerisme is geen doel op zichzelf maar een middel om dingen in je gemeente voor elkaar te krijgen: werkgelegenheid, draagvlak voor voorzieningen, levendigheid. Maar wel op een manier waarbij de negatieve effecten zo klein mogelijk zijn. Hoe doe je, als overheid, het goede met toerisme? Veel steden leggen de focus op het gericht beperken van overlastgevende bezoekers. Maar we kunnen ons beter richten op de bijdrage die toerisme kan leveren aan ons klimaat, onze natuur en ons landschap. Denk daarbij aan belasting op vliegen om met de opbrengst snelle treinverbindingen te realiseren. Of aan een bijdrage van natuurbezoekers en -ondernemers aan het behoud van die natuur. Een toeristisch verdienmodel op erfgoed en landschap om het daarmee te kunnen onderhouden.  

Op 11 september verscheen er in de reisbijlage van The Guardian een uitgebreid, genuanceerd en lovend artikel over Utrecht, dat vertelde over de oude binnenstad met zijn middeleeuwse erfgoed, de nieuwe culturele hotspots buiten het centrum, de parken, de musea, TivoliVredenburg, de biercafés – met meer dan 200 soorten bier – en de goede restaurants met voor elk wat wils. Meteen de volgende dag stelde de gemeenteraadsfractie van Groen Links mondelinge vragen aan het College. Waarom? Utrecht Marketing had de journalist (die op eigen initiatief de stad had bezocht) ontvangen en de fractie maakte zich zorgen of er, met dit artikel niet teveel toeristen naar de binnenstad worden getrokken. Had Utrecht Marketing die journalist wel mogen ontvangen? De angst voor toeristen zit er blijkbaar goed in. Maar hoe groot is dit probleem werkelijk? De binnenstad van Utrecht wordt de laatste jaren wel drukker, maar het is er nog altijd veel rustiger dan in de periode tot 2008, zo blijkt uit tellingen van Locatus[1].

De toerist krijgt er de laatste tijd al snel van langs in de publieke meningsvorming. De Chinees stapt ongegeneerd je tuin binnen om door je raam naar binnen te gluren. De Britse weekendvierders maken de binnensteden onleefbaar met drugsgebruik en dronkenschap. Ilja Leonard Pfeiffer zette alles nog eens scherp neer in zijn bestseller Hotel Europa en schetste op bloemrijke wijze toeristen die eeuwenoude monumenten beklimmen en beschadigen voor een selfie of een picknick zonder ook maar enig besef te hebben van de cultuurhistorische waarde ervan. De toerist fungeert inmiddels als zondebok voor maatschappelijk onbehagen. Zo vertelde directeur Anja Niewierra, directeur van Visit Zuid-Limburg[2], dat er bij haar organisatie geklaagd werd over motorrijders die de mooie landweggetjes in het Heuvelland onleefbaar maken met hun brullende motoren en hoge snelheid. Enig onderzoek liet echter zien dat het geen toeristen van buiten betrof maar inwoners uit de streek die zich blijkbaar niet wisten te gedragen.

Menig bestuurder wil voorkomen dat zijn gemeente ‘een soort Amsterdam’ wordt, waarbij men een stad vol luidruchtig zuipende en blowende buitenlanders voor zich ziet. Maar dit – overigens serieuze – probleem doet zich maar op relatief weinig plaatsen voor, zelfs in Amsterdam. Ondertussen lijkt er te weinig aandacht voor de werkelijke uitdaging van het toerisme: het spotgoedkope vliegen dat zeer schadelijk, maar ook onbelast is en razendsnel blijft groeien; de aantasting van het landschap (denk bijvoorbeeld aan de aaneenschakeling van huisjesparken aan de kust) en de achteruitgang van de natuur. Deze ontwikkelingen zijn niet gemakkelijk terug te draaien. Dus hoe eerder we het vliegen gaan belasten om met de opbrengst nieuwe snelle spoorlijnen aan te leggen, hoe beter het is. Laten we ook de opbrengsten van toerisme in mooie natuurgebieden en landschappen genereren en gebruiken om deze te onderhouden of om boeren de kans te geven hun land zo te beheren zodat de natuur er ook een kans krijgt.  Het toerisme in Nederland zal de komende jaren nog sterk groeien.  Het is beter om dat in goede banen te leiden en te richten op profijt voor natuur, landschap en klimaat dan om angstig de deuren te sluiten.


[1] Bron: de Utrechtse Internet Courant van 23 september 2019.

[2] In een forumdiscussie tijdens de bijeenkomst ‘Waardevol Toerisme’ op 12 september in Den Haag, georganiseerd door de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur.

Landschap: een slecht beheerd kunstwerk

Landschappen en stadsgezichten worden al eeuwenlang geschilderd en gefotografeerd. Ze spreken tot de verbeelding. De heuvels en weiden, de vergezichten, de stadsgezichten, de meanderende rivieren. Landschap is mooi, dramatisch, zet aan tot dromen en geeft perspectief. Hoe het landschap spreekt en inspireert werd weer eens duidelijk op de prachtigtentoonstelling Gelderland Grensland in CODA Apeldoorn die deze zomer te zien was. Landschap doet iets met je.

Een speciaal type landschapsschildering is het panorama. Je staat op een verhoging in een donkere ruimte, middenin een enorm schilderij dat helemaal om je heen te zien is en dat op de voorgrond overgaat in een echt stukje zand of gras.  Naast het welbekende panorama Mesdag zag ik deze zomer nog een prachtige panoramaschildering in Wroclaw (Polen). Het panorama is een schitterende illusie waarmee je onderdeel bent van een imaginair landschap. Zo ga je vanzelf het landschap in detail bestuderen en je ervaart wat landschap met je doet. Landschap ervaren doen we ook steeds meer ‘in het echt’. Ons landschap wordt steeds meer gebruikt als een panorama dat wordt geconsumeerd en ervaren om haar schoonheid, ruimte, stilte en kleuren. Regio’s investeren in fiets- en wandelnetwerken en mooie thematische routes. ‘Tiny Houses’ en ‘ecolodges’ laten ons de rust en ruimte tijdens ons verblijf ervaren. Fietsen en wandelen, nu al een van de belangrijkste vrijetijdsbestedingen, blijven verder groeien. De fiets- en wandelbeurs is een van de drukstbezochte vakantiebeurzen van Nederland, met grote stands van streken en provincies die de schoonheid van hun landschappen omzetten in klinkende munt. Voor steden en regio’s zijn de eigen landschappen ook een onmisbare factor bij het aantrekken van internationale kennisintensieve bedrijven. Landschap waar je van kunt genieten is dus ook economisch alsmaar belangrijker en kostbaarder. Vreemd genoeg zien we die waarde bijna nergens terug in de manier waarop we met ons landschap omgaan. Ons landschap wordt gebruikt om steeds meer productie uit dezelfde oppervlakte te halen. Dat betekent zo groot mogelijke akkers met smetteloos Engels raaigras zonder bloemetjes en kruiden en met de koeien op stal. Het aantal mega-distributie-hallen in ons landschap blijft snel toenemen, mede dankzij het internetwinkelen. Vanwege hun enorme schaal passen ze niet op bestaande bedrijventerreinen en worden er voor hen nieuwe stukken landschap aangesneden. Daar komt de productie van wind- en zonne-energie nog bij. Natuurlijk moeten we ruimte bieden aan dynamiek in de economie en de samenleving. Maar de beleving van het landschap is onderdeel van die dynamiek. Zo zou je, net als onze rijksadviseur Berno Strootman kunnen zeggen: laten wij eerst al onze platte daken vol leggen met zonnepanelen voordat er overal zonneakkers met zwart-glimmende panelen her en der in het landschap verschijnen.

Schoonheid heeft een prijs en een economische waarde. Niet alleen bij kunst, maar ook bij landschap. En als het weg of kapot is komt het niet snel weer terug. Bij landschap nog lastiger dan bij ‘gewone’ kunst. Gelukkig groeit het bewustzijn. Provincies nemen landschapsbehoud op in hun plannen, sommige boeren zaaien gevarieerde akkers in. Maar we zijn er nog lang niet.

Plofkip van het toerisme

De klimaatverandering is inmiddels geen sluipend probleem meer. En ook inspanningen om de gevolgen te beperken komen voorzichtig op gang. Eén sector ontspringt tot op heden de dans volledig: de luchtvaart. Zij valt buiten de klimaatafspraken van Parijs en kent geen belastingen. Vliegen is daardoor verhoudingsgewijs spotgoedkoop. Vliegverkeer is voor 90% toeristisch. Het heeft onze vrijetijd en vakantie dan ook enorm beïnvloed. We vliegen sinds een jaar of dertig steeds gemakkelijker, vaker en goedkoper. Een weekeindje naar een Grieks eiland is vaak goedkoper dan een vakantie op Schiermonnikoog. Vliegen zal de komende jaren nog enorm groeien, mede omdat steeds grotere bevolkingsgroepen in de wereld dit kunnen betalen. Vliegen is fijn en ook nog eens goedkoop en we doen het allemaal. Maar als we zo doorgaan gaat er wel iets grondig mis.

In april was ik op het trendcongres toerisme van het NRIT. Een congres voor studenten, adviseurs, bedrijven en ontwikkelaars in toerisme. Er was veel goed nieuws over de doorzettende groei van het toerisme in ons land, vooral vanuit het buitenland. Eén lezing viel er volledig uit de toon, het was het verhaal van Paul Peeters die ons bijpraatte over de uitkomsten van zijn proefschrift ‘Tourism’s impact on climate change and its mitigation challenges’, dat hij een paar maanden eerder had verdedigd.

Luchtvaart zorgde in 2005 voor de helft van de CO2-emissies binnen het toerisme. In 2100 zal dit percentage gestegen zijn naar 75%. Naar verwachting zal de wereldbevolking in 2100 negen keer het aantal vliegkilometers maken vergeleken met 2015. Het aandeel van de luchtvaart in de wereldwijde CO2 emissies zal daardoor enorm stijgen. Als de groei van het vliegverkeer niet sterk wordt ingeperkt, wordt het onmogelijk om de doelstellingen van Parijs te halen. De ene mythe na de andere prikte hij door. Milieuvriendelijk vliegen, bijvoorbeeld op waterstof of batterijen? Vergeet het voorlopig maar. Voordat dit in de industrie kan worden toegepast zijn we vele decennia verder. Het maken van biobrandstoffen dan? Dat zou een gigantisch landbouwareaal vragen en ernstig concurreren met de voedselbehoefte van de wereldbevolking. Efficiëntere vliegtuigen? Daar valt niet veel eer meer aan te behalen. Ze zijn al heel erg efficiënt. Het mondiale vliegverkeer zou eigenlijk niet meer mogen groeien willen wij de doelstellingen van het klimaat behalen. Aangezien de wereldbevolking nog wel even doorgroeit en over het algemeen rijker wordt, betekent dat voor ons Nederlanders per saldo een afname. Vliegen is de plofkip van het toerisme. Het is goedkoop en wordt gulzig gegeten. Willen we voorkomen dat het vliegverkeer dé grote spelbreker wordt bij onze klimaatdoelstellingen dan zijn er forse maatregelen nodig: beperking, belasting en alternatieve vervoersmogelijkheden.

Het was nog even stil in de zaal nadat Peeters zijn betoog had afgerond. De boodschap kwam hard aan. Gelukkig was het pauze en kon de sfeer zich weer wat herstellen. Al snel ging het weer over heel andere onderwerpen.

Ik vind het ook heerlijk om in de winter een week voor 200 euro naar een zonnig eiland te vliegen; maar er is geen speld tussen te krijgen: wie de planeet serieus neemt, zal meer moeten betalen voor haar of zijn vlucht, vaker de trein moeten nemen en vaker dichter bij huis op vakantie moeten. Als overheden de planeet serieus nemen zullen zij het vliegverkeer moeten inperken, flink belasten en zullen zij moeten zorgen voor aantrekkelijke en snelle alternatieven per spoor.

Of het echt zal gebeuren is natuurlijk nog maar de vraag. Er is nu eenmaal een gigantische economie verbonden aan het vliegen en de vliegvakantie. De prijsvechters proberen ons met goedkope vluchten zo vaak mogelijk te laten vliegen. Er bestaat er bij de meeste Nederlanders nog geen schroom als zij vaak en natuurlijk ook nog eens zo goedkoop mogelijk, een vlucht boeken. En wie de vraag ‘Waar ga je heen op vakantie?’ kan beantwoorden met een exotische bestemming aan de andere kant van de wereld ontvangt nog altijd veel enthousiasme of wordt afgetroefd met een verhaal van een andere verre vakantie.

Het bewustzijn groeit langzaam maar zeker wel. Er is steeds meer aandacht in de media voor de enorme impact van het vliegen op de planeet. Zelfs de topman van KLM heeft gepleit voor alternatieven per spoor voor de korte afstandsvluchten en het kabinet wil vanaf 2021 beginnen met een belasting van ongeveer 3 euro per Europese vlucht. Maar voorlopig heeft het toerisme met de vliegvakanties nog een enorme plofkip te verhapstukken.

credits foto kipvliegtuig: daniele beltrame

Boodschappenlijstje Ruimte en Economie voor het nieuwe stadsbestuur

De komende paar jaar zijn cruciaal voor een toonaangevende ruimtelijke ontwikkeling van steden en dorpen. Ruimtelijke ordening, met een vierjarige collegeperiode, heeft vanzelfsprekend een effect voor decennia later. Nu dringt dat des te meer. We bevinden ons middenin een economische en technologische transitie, waarbij duurzaamheid een doorslaggevend criterium is. Nu komt het erop aan, om daadkracht te tonen, om resultaat te boeken. Het hier en nu is niet genoeg om het verschil te maken. Een boodschappenlijstje voor ambitieuze coalitie-akkoorden.

  1. Werken hoort ook in de stad: Overal worden in sneltreinvaart bedrijvenlocaties omgekat tot woonlocaties. Een prachtig streven, want er ligt immers een enorme woonopgave die we (blijkbaar) vooral binnenstedelijk willen oplossen. We herinneren eraan, dat het 20 jaar geleden precies andersom was, we zochten ons een ongeluk naar werklocaties midden in de stad. En niet helemaal onterecht. Werken hoort ook in de stad. Om verschillende redenen. Koester ze, ja ook de locaties waar je vieze handen mag maken.
  2. Volg Dordrecht. Dordrecht heeft een stedenband met Dordrecht (Z.A.). Er wordt ondernemerschap en creativiteit gestimuleerd. Elke gemeente zou een stedenband met een gemeente op het Afrikaanse continent moeten aangaan. Na de Tweede Wereldoorlog wilde men het volk ‘verheffen’ tot een meer ontspannen relatie en persoonlijke relatie met de buren. Steden- of vriendschapsbanden tussen Nederlandse en Duitse steden werden gecreeerd. Laten we dat nu eens doen met Afrika. En nee hoor, dat hoeft echt niet gepaard te gaan met allerlei kostbare vriendschapsbezoeken. Tegenwoordig kan het aanhalen van zulke banden natuurlijk heel goed digitaal. Ook met Afrika!
  3. Praat met unusual suspects. In ons vorige ZN hadden we het over Google City en de impact op de klassieke vastgoedsector. Maar ook nu al zien we dat de meest bijzondere ontwikkelingen niet alleen (of juist weinig) worden gedragen door bekende spelers en door planmatige vernieuwing die vastgoedgedreven is (hardware). Nee, de mooiste vernieuwing zit hem vaak in de software (de exploitatie). En de leukste nieuwe plekken zijn niet volgens de standaard regels van traditionele gebiedsontwikkeling tot stand gekomen.
  4. Saldo-benadering: je ontwikkelt, je tendert, je hebt prijsvragen. Maak daarbij veel meer ruimte voor een saldobenadering. Nu is alles gericht op meer (meters, woningen). We staan een plan toe. Zonder de koppeling te leggen met een transformatie-opgave elders in de gemeente. Leg deze relatie wel, en dat kan best eenvoudig. In de regionale regie-afspraken over detailhandel in de IJmond is zo’n saldo-benadering al geintroduceerd. Leg op, dat een partij die een winkelcentrum wil vergroten, ook een probleem elders oplost.
  5. Doe alles wat je kunt voor fiets, openbaar vervoer en nieuw vervoer (nieuwe technologieen, zelfsturende auto’s, combinaties van openbaar en particulier vervoer). Openbaar vervoer hoeft niet politiek gevaarlijk te zijn. De Uithoflijn in Utrecht lijkt het tegendeel te beweren, maar het maken van nieuw openbaar vervoer kan echt ook volgens het boekje. Nieuw en collectief vervoer is, samen met de fiets, het enige antwoord op de traditionele auto. Het zal onze steden redden. Nee, we kunnen nog niet zonder auto’s, maar elke auto die minder rijdt, vooral in de stad, is er een. Minder ruimtegebruik, minder gebruik van grondstoffen. Ook het volledig elektrisch maken van onze auto’s lukt sneller bij minder auto’s. Trouwens, het bouwen van woningen met parkeernorm 0 is echt een goed idee. Denk ook eens aan belonen van niet-autobezit. In plaats van het straffen (hoge prijzen in parkeertarieven, gebouwde parkeervoorzieningen bij nieuwbouw) van het bezitten ervan.
  6. Wees voorbereid op het groeiend toerisme naar Nederland. Zie dit als een kans voor voorzieningen en werkgelegenheid en vergeet hierbij het verkoelingstoerisme niet. Toerisme naar Nederland zit al een tijdje in de lift. Er worden in 2030 zo’n 7 miljoen extra buitenlandse toeristen verwacht ten opzichte van 2015. Maar daar zouden in de zomer zomaar enkele miljoenen ‘verkoelingstoeristen’ bij kunnen komen. Landen rondom de middellandse zee krijgen steeds vaker en langer te maken met extreme hitte in de zomer. Nu al zien we dat Arabische families sommige Nederlandse bungalowparken hebben ontdekt, daar komen mogelijk nog heel wat Portugezen, Spanjaarden en Italianen bij. Of Nederlanders die het ’s zomers in Spanje te heet wordt en besluiten om in eigen land te blijven. Nederlandse landelijke gemeenten kunnen daarop inspelen met hun fiets- en wandelroutes, hun zwemplassen en hun verblijfsrecreatie. Lees hier de blog over verkoelingstoerisme van Jan Oosterman.

Blog van Ronald van Velzen en Jan Oosterman, ten behoeve van Zelfstandig Nieuwsblad, voorjaar 2018

Verkoelingstoerisme

Toerisme naar Nederland zit al een tijdje in de lift. Er worden in 2030 zo’n 7 miljoen extra buitenlandse toeristen verwacht ten opzichte van 2015. Maar daar zouden in de zomer over een aantal jaren zomaar enkele miljoenen ‘verkoelingstoeristen’ bij kunnen komen. Landen rondom de middellandse zee krijgen steeds vaker en langer te maken met extreme hitte in de zomer. Nu al zien we dat Arabische families sommige Nederlandse bungalowparken hebben ontdekt, daar komen mogelijk nog heel wat Portugezen, Spanjaarden en Italianen bij. Of Nederlanders die het ’s zomers in Spanje te heet wordt en besluiten om in eigen land te blijven. Nederlandse landelijke gemeenten kunnen daarop inspelen met hun fiets- en wandelroutes, hun zwemplassen en hun verblijfsrecreatie.

De klimaatsverandering is voor veel ontwikkelaars in het toerisme en voor gemeenten en provincies nog een ‘blind spot’. De opwarming zal zorgen voor nieuwe en veranderde toeristenstromen. De trek naar gematigde streken zal daarbij een steeds grotere rol spelen. Vakantie brengt traditioneel een trek naar het zuiden op gang, we gaan naar de zon! Maar de afgelopen zomer kreeg ik van mijn vrienden en familie echter talrijke meldingen en appjes van oververhitte thermometertjes en kaartjes met 20 zonnetjes en krankzinnige temperaturen. Eenmaal weer terug hoorde ik vriend en vijand klagen over de hitte, waardoor ze tijdens hun vakantie beperkt waren en steeds op zoek moesten naar verkoeling.  Want warm was het, zo blijkt ook uit de weermetingen van de afgelopen zomer. In augustus 2017 kwam het kwik in Zuid-Europa regelmatig boven de 40 graden en werd het ’s nachts niet koeler dan 30 graden. Maar dat is nog maar het begin, aldus de klimaatwetenschap. Dit soort bloedhete zomers zullen in 2050 in het Middellandse Zeegebied schering en inslag zijn. Relatief snel en zeker veranderen delen van Spanje, Italië en de Balkan in geel geblakerde zones waar het in de zomer veel minder fijn zal zijn dan we altijd gewend waren (zie oa. John P. Holdren in NRC van 28 april 2017).

Vijftig jaar geleden kwamen deze zomers in deze landen nog niet voor; over 30 jaar is het normaal.  Voorspellen is moeilijk, maar deze toekomst is vrijwel zeker. We zitten midden in een proces dat de komende decennia gegarandeerd zal doorzetten. De rest van ons leven zal het ieder jaar gemiddeld een beetje warmer worden op aarde. Het verminderen van de mondiale CO2-uitstoot, als daar al iets van terecht komt, zal het effect alleen maar een stukje af kunnen remmen.

Verkoelingstoerisme in de zomer zal mogelijk een belangrijke plaats verwerven (naast het zontoerisme dat blijft in de overige seizoenen van het jaar). Koelte wordt voor steeds meer mensen een schaars goed. Mogelijk zullen steeds meer toeristen vanuit het zuiden naar het noorden trekken om te genieten van onze frisse groene bossen en de gematigde temperaturen waarbij je gewoon je huis uit kunt zonder meteen bevangen te worden door de hitte. Verkoelingstoerisme is geen nieuw verschijnsel. In Oman vindt in de zomermaanden traditioneel een grote trek plaats naar de omgeving van Salalah, de hoofdstad van Dhofar. Het is het enige kleine stukje van het land waar de moessonregens komen en zorgen voor regen en relatieve koelte. Deze trek naar de regen, de ‘Khareef’, betekent voor Salalah een toeristisch hoogseizoen, terwijl de rest van Oman alleen in de wintermaanden door toeristen wordt bezocht. Het is er van mei tot oktober domweg te heet.

Ook Nederland is in de zomer aantrekkelijk voor toeristen die vanuit het zuiden de hitte ontvluchten. Ik was vorig jaar op bezoek bij een recreatiebungalowpark in Noord-Limburg. De eigenaar die mij rondleidde vertelde dat hij steeds vaker zijn luxe chalets verhuurt aan rijke Arabieren die bij hem de hitte thuis ontvluchten. Voor hen is het heerlijk om in de zomer gewoon naar buiten te kunnen in plaats van voortdurend in gekoelde binnenruimtes te moeten verblijven. Van Dubai naar Noord-Limburg. Juist de Nederlandse regio’s die nog wel wat toerisme kunnen gebruiken, de bosrijke regio’s buiten de randstad, kunnen hiervan profiteren, mits zij hier goed op inspelen, met gastvrije en up to date voorzieningen, verblijfsaccommodaties, goede, ook niet Nederlandstalige, toeristische informatie en gastvrijheid.

Daarnaast blijft de traditionele trek naar Zuid-Europa vast en zeker bestaan, maar ook daar zal het patroon mogelijk gaan verschuiven. De echte zomermaanden worden mogelijk minder druk terwijl de rest van het jaar populair blijft.

Interactieve Technologie Centraal in ZN

De wintereditie van het Zelfstandig Nieuwsblad is uit! Deze winter verkennen we de digitale kant van ons vakgebied. We kennen allemaal de verhalen over disruptie van de markt door platformbedrijven als Uber en Airbnb. Maar doorzien we deze mechanismes ook als ze over ons eigen vakgebied gaan? Waar blijft de Uber van de vastgoedwereld? Het zou wel eens kunnen dat die zich al gemeld heeft. Marc Numann schrijft erover in zijn artikel. Anjo Travaille laat in zijn breincolumn zien dat ons brein hele vreemde keuzes maakt als het over onze eigen privacy gaat. In de rubriek Luister! laat Ronald Löhr de soundtrack horen van steden die door de technische ontwikkeling ingehaald zijn.

Vier keer per jaar breng ik, samen met een aantal andere zelfstandige adviseurs, het Zelfstandig Nieuwsblad uit. Klik hier voor de laatste editie. Stuur een mailtje naar info@vrijetijdszaken.nl en ontvang het nieuwsblad automatisch in je mailbox.

Digital Detox

Als medicijn tegen de Fear of Missing Out (het gevoel iets belangrijks te missen of niet bij te horen als je niet online bent) is er de JOMO: de Joy of Missing Out. Het bewustzijn dat de voortdurende stroom foto’s, posts en tweets je maar al te vaak weghoudt van datgenen wat werkelijk belangrijk is en wat je werkelijk gelukkig maakt: een goed gesprek, een goed boek, echt samen zijn met je partner, et cetera.

Steeds meer verblijfsaccommodaties bieden een weekeind aan waarin de mobiele telefoons worden ingeleverd en de wifi ontbreekt. Het kuuroord van Valkenburg biedt een driedaags detox-arrangement aan waarmee je lichaam en geest ontgift van de gehele digitale wereld. “Voel u bevrijd na een paar dagen digitaal detoxen”, aldus het bedrijf. Ook kasteel Slangenburg speelt in op de behoefte naar rust, regelmaat en menselijk contact. Op ‘wifivrij.nl’ staan Nederlandse vakantiehuisjes en B&B’s zonder Wifi. En de website van Digitaldetoxholidays biedt zelfs een wereldwijd overzicht van luxe resorts waar je offline kunt zijn en waar wordt gegarandeerd dat er geen mobiele ontvangst, geen telefoon, geen tv en geen wifi aanwezig is. ‘Disconnect to Reconnect’ is het motto. Wie het zich niet kan permitteren om dagenlang onbereikbaar in een ecolodge op een tropisch eiland te zitten kan natuurlijk ook gewoon de telefoon uitzetten of thuislaten als hij of zij er een weekeindje helemaal uit wil.

https://www.thermae.nl/hotel/arrangementen/3-daagse-digitale-detox-kuur/

http://wifivrij.nl/

https://www.gelderlander.nl/achterhoek/digitaal-detoxen-op-kasteel-slangenburg~a1a80c9d/

http://digitaldetoxholidays.com/

Natuur centraal in Zomereditie 2017

De zomereditie 2017 van het Zelfstandig Nieuwsblad is uit, met als thema natuur.  Beleving, behoud en ontwikkeling van natuur speelt een steeds grotere rol in ons vak. We zetten de natuur op alle mogelijke manieren naar onze hand. Beleven zullen we! In de zomereditie vindt u twee visies. Ik beschrijf de beleveniseconomie als de redding voor onze schaarse flora en fauna. Voor mederedacteur Kirsten Bruijel gaat er niets boven de rauwe, échte natuur. Met een beetje hulp van Google. Zet via deze link alvast de speciaal samengestelde playlist uit de rubriek Luister! op en beleef de natuur door de ogen van onze redacteuren.

Sinds 2015 ben ik redacteur van het Zelfstandig Nieuwsblad; een digitaal kwartaalmagazine gemaakt door een aantal enthousiaste ZZP-ers voor hun relaties en andere belangstellenden. Wij zijn allen betrokken bij het maken van ruimtelijke plannen, maar steeds vanuit een andere invalshoek. Wilt u zich abonneren? Stuur mij een mail.

Klik hier voor het zomernummer van het Zelfstandig Nieuwsblad 2017

Leve de natuurbeleving

Steeds vaker krijgt natuur te maken met mensen die haar komen beleven. Zuid-Afrikaanse nijlpaarden wennen aan menselijke stemmen uit radio’s. En in veel gevallen is die beleving het behoud ervan. Beleving geeft bestaansrecht aan het natuurgebied en brengt bovendien geld in het laatje. Ecotoerisme brengt nu al zoveel op dat natuurgebieden en zeldzame dieren in hun natuurlijke habitat in stand worden gehouden. Ook in Nederland wordt de natuurbeleving een steeds belangrijker factor. Dat de natuur daarvoor soms wat moet worden aangepast aan de menselijke smaak en de menselijke aanwezigheid moet die natuur op de koop toenemen.

In de NTR-documentaireserie Goede Hoop vertelt Hans Goedkoop over de Nederlanders die vanaf de 18e eeuw vanuit Kaap de Goede Hoop de binnenlanden van Zuid-Afrika in trokken. Robert Jacob Gordon schoot en beschreef nauwkeurig de eerste giraffes, zebra’s en nijlpaarden die hij daar aantrof. De eeuwen daarna vielen de dieren in groten getale ten prooi aan plezierjacht en export. Momenteel worden de laatste nijlpaarden in het gebied beschermd. Boeren houden ze op hun land voor safaridoeleinden. Goedkoop is in gesprek met een boer die verspreid over zijn land transistorradiootjes heeft opgehangen die zijn afgestemd op een zender waarop veel wordt gepraat. Zo hoopt hij de nijlpaarden minder schuw te maken voor zijn bron van inkomsten: toeristen die daar binnenkort nijlpaarden mogen komen spotten. Steeds meer natuurgebieden zijn afhankelijk van menselijke beleving en, over beleving gesproken, mogen we blij zijn als er geen sprake is van jachttoerisme waar gefokte wilde diersoorten in omheinde gebieden worden losgelaten voor de jacht.

Een Nederlands voorbeeld van hoe de belevingseconomie zijn invloed doet gelden in de natuur vormen de Oostvaardersplassen. Een gebied waar Staatsbosbeheer tot voor kort ‘de natuur’ zijn gang liet gaan. De meerderheid van de politiek in Flevoland – en met hen vele andere bezoekers en bewoners –  vond het niet langer goed dat grote groepen grazende dieren er het land kaal houden en dat na de winter veel dieren waren verzwakt door voedselgebrek en stierven. Bovendien werd menselijk bezoek nauwelijks op het terrein toegelaten. Dit voorjaar is er een plan aangenomen met minder ruimte voor grazers en meer stukjes bos en struiken. Rondom de plassen blijft het gebied niet toegankelijk en is er volop ruimte voor vogels, maar aan de randen komt meer ruimte voor recreanten, kleinschalige overnachten, wandelen en fietsen. De Oostvaardersplassen worden, kort gezegd, een gevarieerd natuurpark met volop ruimte om die natuur te beleven. Ook goed voor de lokale inkomsten en de werkgelegenheid, zo redeneerde de politiek.

Op de Veluwe wordt momenteel eveneens gezocht naar een balans tussen menselijke beleving en natuur. Grote delen van de Veluwe zijn Natura 2000-gebied en genieten de hoogste status van bescherming. Er mag geen snippertje van worden aangetast zonder dat er een goed plan ligt om elders met gelijkwaardige natuur te compenseren. Ook mogen bedreigde soorten, zoals de Zwarte Specht, geen boom van hun leefgebied kwijtraken. Aan de andere kant willen de provincie en de betrokken gemeenten dat de Veluwe weer hét belangrijkste vakantiegebied van Nederland wordt, een positie die ze is kwijtgeraakt aan de Noordzeekust en Drenthe. Dat betekent bijvoorbeeld een goede padenstructuur voor wandelen, fietsen, mountainbiken en paardrijden. Ook moeten attracties en ‘goede’ bungalowparken en campings kunnen verbouwen of uitbreiden. Al snel kan er een patstelling ontstaan waarbij de ecologen het liefst alle mensen van hun terrein houden en de recreatieondernemers moedeloos worden van het feit dat bijna elk plan dreigt te worden geblokkeerd door bezorgde ‘bomenridders’ die met succes procederen tot aan de Raad van State.

Dat natuurbeschermers zich soms verzetten tegen de oprukkende belevingseconomie op hun terreinen is begrijpelijk. De zwarte specht of de kamsalamander zou er last van kunnen krijgen. Tegelijkertijd kan de belevingseconomie er juist voor zorgen dat de natuur wordt behouden. Niet alleen doordat de terreinbeheerders inkomsten genereren met excursies naar burlende edelherten en de verhuur van ‘tiny houses’. Maar ook omdat de natuur in Nederland en grote delen van de wereld afhankelijk is van de waardering van de mens. Als de mens de natuur niet kan bewonderen, beleven, proeven, en ruiken is het vroeg of laat met die natuur gedaan. Leve de natuurbeleving!